Inleenopdracht                                            

Afbeeldingsresultaat voor arbeidVoor de beoordeling van de herplaatsingsmogelijkheden is de actuele situatie van lang. Ook worden de herplaatsingsinspanningen van de werkgever in een periode een, drie of vier maanden in de beoordeling betrokken. Welke periode in dat kader geldt is afhankelijk van de tijd dat de werknemer heeft gewerkt. De periode begint lopen vanaf het moment dat de inleenopdracht is komen te vervallen.

Als de werknemer korter dan vijf jaar heeft gewerkt spant de werkgever zich ten minste een maand in om de werknemer(s) te herplaatsen, bij een arbeidsverleden van vijf tot tien jaar voor een periode van ten minste drie maanden en indien een werknemer meer dan tien jaar heeft gewerkt gedurende een periode van ten minste vier maanden.

Schematisch ziet dit er als volgt uit:

Duur inleenopdracht                                            Duur herplaatsinginspanningen werkgever

– korter dan 5 jaar                                                          – één maand

-5 tot 10 jaar                                                                    – 3 maanden

– 10 jaar of langer                                                           – 4 maanden

Het spreekt voor zich dat de Centrale organisatie werk en inkomen deze termijnen buiten beschouwing kan laten, als hierdoor de werkgelegenheid van de overige werknemers in gevaar zou komen. Bij aanwezige herplaatsingsmogelijkheden neemt de werkgever voor het doen van een aanbod de volgorde van de opgebouwde diensttijd van met ontslag bedreigde werknemers zo veel mogelijk in acht.

De uitzendrelatie wordt gekenmerkt door een specifiek, driezijdig karakter. Hierbij kan het inbreken in een lopende uitzendrelatie onder omstandigheden op gespannen voet komen te staan met dit bijzondere karakter van de uitzendrelatie. Daarom moet bij werknemers in geval van ontslag op grond van het beëindigen van de inleenopdracht het verplichte evenredigheids- of afspiegelingsbeginsel worden toegepast.

Daarbij mag dan niet worden uitgegaan van alle leenopdrachten van de bedrijfsvestiging, onderdeel Bedrijfsvestiging) maar alleen van:

–    de inleenopdrachten met uitwisselbare functies bij het inleenbedrijf waar de werknemer laatstelijk werkzaam was, en

–    de inleenopdrachten op grond waarvan bij andere inleenbedrijven per inleenbedrijf in totaal vier of meer werknemers werkzaam zijn in uitwisselbare functies.

Van de inleenopdrachten bij andere inleenbedrijven blijven in ieder geval die inleenopdrachten buiten beschouwing waarvan de resterende duur twee maanden of minder bedraagt. Deze periode begint te lopen vanaf het moment waarop de inleenopdracht voor de voor ontslag voorgedragen werknemer(s) is komen te vervallen.

Deze beperking van de toepasselijkheid van het verplichte evenredigheids- of afspiegelingsbeginsel is nodig om te voorkomen dat lopende uitzendrelaties op grond van uitzendopdrachten bij andere inleenbedrijven dan degene waarbij de werkzaamheden komen te vervallen kunnen worden doorkruist.

Bij de toepassing van het verplichte evenredigheids- of af spiegelingsbeginsel wordt uitgegaan van het moment waarop de desbetreffende inleenopdracht en dus de uitzendarbeid voor de betrokken werknemer(s) is komen te vervallen.