Uitzendovereenkomst

De uitzendovereenkomst heeft overigens niet alleen betrekking op de in de praktijk voorkomende uitzendrelatie, maar omvat ook alle andere driehoeksarbeidsrelaies, waarbij de werknemer in de uitoefening van het bedrijf of beroep van de werkgever aan een derde ter beschikking wordt gesteld om onder toezicht en leiding van die derde te werken.

Zo’n terbeschikkingstelling kan bijvoorbeeld ook de uitlening omvat en, als maar voldaan wordt aan de kenmerken van de uitzendovereenkomst. Als dat niet geval is dan geldt ook de bijzondere regeling van de uitzendovereenkomst. De regering van de uitzendovereenkomst geeft dus een uniforme regeling voor de vele onder verschillende benamingen in de praktijk voorkomende vormen van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, zoals: uitzenden, uitlenen, detacheren, of het tewerkstellen in het kader van een arbeidspool.

Maar het moet dan wel gaan om het ter beschikking stellen in het kader van een zodanig beroep of bedrijf. In de praktijk gaat dus alleen om organisaties zoals uitzendbureaus, detacheerbedrijven en andere organisatie die er hun beroep of bedrijf van maken arbeidskrachten onder welke noemer ook tijdelijk aan derden ter beschikking te stellen.

Bijlage B waarnaar in art. 4:1 lid 3 Ontslagbesluit wordt verwezen wordt een uitleenwerkgever omschreven als een werkgever:

– die als doelstelling heeft om in het kader van beroep of bedrijf werknemers ter beschikking te stellen aan derden (opdrachtgevers) om onder hun leiding en toezicht;

-werkzaam te zijn en zodoende vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar te brengen en

-wiens premieplichtige loonsom op jaarbasis voor ten minste 50% wordt gerealiseerd in het kader van de in art. 7:690 Burgerlijk Wetboek bedoelde uitzendovereenkomst. De werkgever aan deze twee criteria voldoet is dus Bijlage B van toepassing op werknemers met wie uitdrukkelijk is overeengekomen dat zij uitsluitend en voor de volledig bedongen arbeidsduur onder toezicht en leiding van een derde werkzaam.

Korte perioden waarin de werknemer eventueel op ander wijze werkzaam is om de zogenoemde leegloopkosten te voorkomen worden hierbij buiten beschouwing gelaten. Met deze omschrijving wordt de reikwijdte van Bijlage B Ontslagbesluit beperkt tot de ‘gewone’ uitzendbureaus.

Dat betekent dat er dus een aanmerkelijk verschil is tussen de uitzendovereenkomst en daarmee de uitzendwerkgever in de art. 4:1, 3-4:2 lid 2 Ontslagbesluit en de op deze artikelleden gebaseerde Bijlage B. Een verzoek om de arbeidsovereenkomst met de uitzendwerknemer te mogen op aan de orde is, dan moet de noodzaak van het ontslag voor een of meer werknemer aannemelijk worden gemaakt. Dit moet dan gebeuren aan de hand van bescheiden, waaruit blijkt dat de inleenopdracht is komen te vervallen en herplaatsingsmogelijkheden ontbreken.